Wikia


O.L. VROUWEKERK.

Met de bouw van de hoofdkerk werd in 1479 een aanvang gemaakt door Antonis Keldermans op de plaats van de kerk, die in 1348 tot stand was gekomen en in 1472 tot collegiale was verheven. De bouw werd voortgezet door zijn zoon Rombout volgens contract van 1512. In 1521 kwam de toren op zijn huidige hoogte en in 1543 werd de omgang van het koor overwelfd. De kerk werd in 1597 aan B. de Moucheron verhuurd, brandde in 1686 gedeeltelijk uit, leed in 1809 van het bombardement der Engelsen, die haar vervolgens tot kazerne inrichtte, werd door de Fransen in 1811-1813 tot militair hospitaal ingericht, fungeerde verder als provinciaal bedelaarsgesticht en wordt thans geleidelijk in een betere staat gebracht. Vermoedelijk werd het koor met zijn omgang kort na het voltooien weer afgebroken en werd tegen het dwarspand een lage driebeukige hallenkerk gebouwd, waarvan slechts de midden- en zuiderbeuk behouden zijn. De indrukwekkende. zwaar geschonden kruisbasiliek, welks grondplan twee reeksen vertoont van rechthoekige kapellen, die geopend zijn op de zijbeuktraveeën, is uitwendig geheel met natuursteen bekleed, doch heeft veel van zijn stijlkenmerken verloren door het dichten van de vensters, het teloorgaan der gewelven en het wijzigen van de bedaking. De hoge transeptvensters zijn langs de boogtrommel omgeven door een geprofileerde booglijst, rustende op draagstenen en bekroond door een kruisbloem.

De toren is slechts gedeeltelijk opgetrokken, twee geledingen vormend, en heeft een ingangspartij welke geflankeerd wordt door twee massale traptorens. Aan de zijkanten doorbreekt slechts een enkele diepe nis tussen de rijk gedetailleerde steunberen het muurwerk. Het inwendige is uitgevoerd in de rijpe brabantse trant. De ronde zuilen op achtkant basement vrij los behandelde koolblad- kapitelen en het triforium, nog aanwezig in het dwarspand, bestaat uit een balustrade, gevat in de doorgetrokken raamnissen. Zijbeuken en kapellen waren met kruisribgewelven overdekt, terwijl in schip en dwarspand stergewelven ontworpen waren. De benedenruimte van de toren rust op massale pijlers van een merkwaardige golvende omtreklijn. De lage hallenkerk met driezijdige koorsluitingen, gerestaureerd in 1950, is vermoedelijk in de 2e helft van de 16e eeuw gebouwd met afbraakmateriaal van het koor; ook hier zuilen met koolbladkapitelen. De noordelijke beuk, welke (1614-1799) als Schotsekerk dienst deed, is afgebroken. Aan de noordzijde tegen het dwarspand een lage aanbouw van twee trav


























Bron: RCE Rijksmonumenten Dataset, Tabel 2 (2009)